Wanneer Elowen het huis van haar tante erft, keert ze terug naar een plek die ze haar hele leven heeft gekend. Een huis aan de rand van het bos, waar de tijd nauwelijks lijkt te zijn veranderd. In de eerste dagen is het vooral praktisch werk, tot ze in een kast iets vindt dat Roos nooit heeft genoemd. Schriftjes, verstopt onder een losse plank, vol korte notities over wat er gebeurt in en rond het huis. Dingen die eerst onschuldig lijken: een omgevallen tak, een telefoontje, iemand die langskomt. Maar dan beginnen de dingen die in het laatste schriftje staan uit te komen. Elowen besluit op onderzoek uit te gaan. Ze legt data naast elkaar en gaat terug naar de plekken waar de notities over gaan. Maar gaandeweg begint ze tijdens datzelfde onderzoek zelf dingen te zien die nog moeten gebeuren.