In de verhalen van Manuel García opent een enkele blik al de deur naar wat mannen lang verborgen houden. Een collega, een hotelkamer, de trilling van een avond die niet meer over presentaties gaat. Daar, tussen de nuchtere wereld van werk en de plotselinge nabijheid van een lichaam, ontdekt de verteller hoe kwetsbaarheid en verlangen in elkaar overvloeien. Het titelverhaal is het scherpste van de bundel: een man die jarenlang het ongemak naast zich neerlegde, tot één avond in Milaan alles onomkeerbaar maakt. De grote, atletische gestalte van Riccardo, de geur van zijn huid, de manier waarop hij de controle overneemt – het wordt een rite van overgave die de verteller voor altijd tekent. Hij klopte op de deur, nog vochtig van de douche. De bobbel onder de joggingbroek, de glimlach die niet meer te ontkennen viel. Toen hij knielde, was het geen grap meer, maar de langzame, gretige overgave aan iets wat hij altijd al had gevoeld. Wie deze pagina’s openslaat, voelt hoe mannelijke erotiek en hedendaagse gayverhalen samensmelten tot iets dat blijft branden lang nadat het boek dichtklapt.